De Hoogstraat waar de jeugd samenklitte
door Thieu Vlemmix

Natuurlijk vormde de kern van Zeelst rondom en nabij de kiosk, het hart van ons dorp  en van het dorpse leven. Maar de Hoogstraat was de plek waar de jeugd samenklitte en waar veel gebeurde. Deze verbindingsweg tussen de doorgangswegen Kapelstraat en Broekweg, vormde ’t centrum van de wereld. In ieder geval dat van ons, de jongeren in de jaren vijftig en zestig. In deze met meer dan honderd kinderen rijk gezegende straat was het te doen. Het voetbalveld van UNA lag vlak om de hoek. Tegen een achtergrond van wuivend graan, stond ‘de meule’ (molen) te pronken.

IJsbloemen en kattekwaad
Een simpele zandweg, eind veertiger jaren. In de huizen nog geen warm water of geiser. Het koude water kwam uit een koperen kraantje in de keuken, boven het granieten aanrecht.  Gekookt werd er met behulp van flessen buta(an)gas, en op de kolenkachel met z’n mica ruitjes. De warmte in de kamer kwam in de winter van de gloeiende kachel. De rest van het huis was steenkoud. Ijsbloemen stonden op de ruiten van de slaapkamers, en nu nog in ons geheugen. Zaterdags, wasdag. In de kamer, allemaal de teil in. Het hele gezin, werd door moeder – niet altijd zachtzinnig – zuiver geboend. Op een rijtje stonden we. Ieder wachtte op zijn beurt. De Hoogstraat onderscheidde zich wat dat betreft niet van veel andere straten. Groenteboer Van de Velden kwam regelmatig langs met paard en wagen. Waterschoot was de schillenboer. Vrijdag visdag; daarvoor hadden we visboer Frans Neggers. Het vlees kwam van de slagers Piet van Eeten en Janus Vlemmix.

In ons zesde levensjaar gingen we naar de Lagere School, we leerden er tot tien tellen. Hetgeen later bij ruzie, in je drift, niet meer zo goed lukte. Rekenen, met sommen tot de tien. De Eerste Communie: nieuwe kleren, onwennig in de zogenaamde drollenvanger. Carnaval ook. Met de foekepot rond, nadat we bij van Eeten een varkensblaas hadden gehaald.

Kattekwaad uithalen gebeurde natuurlijk ook. Zoals bij Jana Vingerhoets aan de kersen gaan, of aan de appels. Het tijdstip waarop dat moest gebeuren, wisten we precies. Het wachten was namelijk op het moment dat vrome Jana en haar – eveneens roodharige – broers begonnen met het bidden van de rozenkrans. Dan, zo rond zeven uur, geraakten ze in trance. Dat was het sein om tot de aanval over te gaan.

Of neem het geval van de kippenkooi. Veel Hoogstraters zullen er nu nog om kunnen lachen.  Op een zomerse dag was de familie Oosterbosch vanwege een bruiloft niet thuis. Franske Kuipers en Henkie van Lieshout, twee jongens uit de straat, zagen de kans schoon om er – via het dak van de schuur – aan de noten te gaan. Nog nauwelijks aan hun schelmenstreek begonnen, zakten de deugnieten plots met donderend geraas door de eternieten golfplaten en ze kwamen in de kippenkooi terecht. Kippenveren vlogen in het rond. De haan ging tekeer alsof hij zojuist veroordeeld was tot een jaar zonder kippen. Op slag was het hele hok in rep en roer, met rondvliegende kippen en kuikens, die om het hardst kakelden en krijsten. Zich nauwelijks bewust van het spektakelstuk om hen heen, lagen Franske en Henkie intussen versuft op de grond, midden in de hennenstront. Weer bij zinnen, maakten de twee dat ze weg kwamen. Maar niet alvorens Franske, met een ongelofelijke tegenwoordigheid van geest, eerst nog snel een paar eieren weg had gegrist.

De Hoogstraat was een echte voetbalstraat. Ze bracht veel voetballers voort. Eentje daarvan was Wim Bazelmans. “We voetbalden tussen de middag van 12 tot 2, en na het avondeten tot het donker werd. We trainden ons zelf en hadden zelfs een eigen clublied. Ons pa schreef het”. Een couplet daaruit: ‘De Hoogstraat is een clubke, staat overal bekend, bij regen storm en onweer, is HVC present, dan schieten ze tegen de palen, en dan weer tegen de lat, en roepen de jongens van HVC, we hebben pech gehad’. In de volgende aflevering hierover meer.

Muziek en buitendorpsen
Buiten het voetbal vielen er nog veel andere dingen te beleven. Muziek maken was er één van. Veel jongens uit Zeelst waren bij de KAJ (katholieke arbeiders jeugd). In een jolige bui noemde men zich ook wel ‘katholieke appel jatters’. Het oude Patronaat was de vaste huisvesting, waar de opgeschoten jeugd van Zeelst op georganiseerde wijze z’n vertier vond. Daar ook ontstond het orkest van de Hoogstraat. Eerst met Wil Oosterbosch op drums, Fiel Hermkens op accordeon en Wim Bazelmans, die gitaar speelde en zong. Later kwamen daar Wil van Genesen en Wil Baselmans nog bij. Ze noemden zich nu ‘De Zingende Zwervers’. Met de komst van zangeres Riet Schellekens uit de Kapelstraat was de groep kompleet. Behalve zingen, kon deze ook mooi accordeon spelen. Optredens waren nu regelmaat. En daarbij werd veel gedanst. Ook jongelui uit Valkenswaard en Eindhoven kwamen er op af. Jongens van Zeelst konden dat niet altijd velen. Het was me ook nogal wat, om deze ‘buitendorpsen’ de mooiste meiskes onder je ogen te zien wegbietsten. Want dat gebeurde. En ze trouwden er soms nog mee ook!

Veranderingen
Langzaam kwamen de serieuzere en hardere zaken van het leven om de hoek kijken. Zo werden in de Hoogstraat prachtige grote tuinen van minstens veertig meter diep, met mooiste gladiolen- of tulpenvelden, onteigend. En niet veel later ratelden op die plek machines van de textielfabriek en schalden de Arbeidsvitaminen door de kalmte van de tijd. De industrie rukte op in het eens zo vredige Zeelst. En letterlijk verhardde het leven in de Hoogstraat zich, omdat er een heuse weg met keien kwam. Rap zouden veel andere veranderingen volgen. En aan onze fantastische jeugdtijd kwam abrupt een einde.

In de volgende aflevering nog meer Hoogstraat: het prachtige verhaal van de vrienden Henkie en Tonnie. Hun jeugdherinneringen en  opmerkelijke vriendschap, welke nu al weer bijna zestig jaar voortduurt.

©2006 Heemkundekring Zeelst Schrijft Geschiedenis